Archief

ROOS
THEUWS

Solotentoonstelling

In teksten over het werk van Roos Theuws nemen uitgebreide en gedetailleerde beschrijvende passages een belangrijke plaats in. In minutieuze bewoordingen wordt de uiterlijke verschijningsvorm van het werk, de constructie en vooral het toegepaste materiaal, geanalyseerd. Dat is niet verwonderlijk. De beelden zoals Roos Theuws die de afgelopen jaren heeft gemaakt, confronteren de beschouwer in eerste instantie met een nadrukkelijke, rijke en oorspronkelijke materialiteit. Ze hebben een uiterlijk meegekregen met sterke visuele en tactiele kwaliteiten en met een hoge mate van perfectie. Aantrekkelijk, maar daarom nog niet zomaar toegankelijk. Verleidelijk, maar niet ‘gefällig’. Het ligt dan ook voor de hand om door een grondig onderzoek van de buitenkant, van de ‘huid’ van deze fraaie, maar koele verschijningen, te trachten een onderliggende laag aan te boren. Ook is dit proces van analyse van eigenschappen en verschijningsvorm van het materiaal, teneinde hieruit betekenis te destilleren, in overeenstemming met de wijze waàrop Roos Theuws het artistieke proces opvat. Deze opvatting kan gedefinieerd worden als een hardnekkig streven om een immateriële visie op te leggen aan het materiaal, om het betekenis te ontlokken, om het zelf tot spreken te brengen, zonder tussenkomst van persoonlijke emotionele ofverhalende elementen, voor zover die het uiteindelijke beeld zouden kunnen hinderen zijn eigen mededelingen te doen. Daarmee doen vooral de wat vroegere werken een sterk beroep op de zintuiglljkheid van de beschouwer. Op zijn gevoeligheid voor het materiaal, voor de huid, die zich in verschillende gedaantes en oppervlakken manifesteert – in de vorm van bijvoorbeeld staal, aluminium, glas, hout, perspex, rubber – zich telkens anders verhoudend tot het in de omgeving aanwezige licht, absorberend dan wel reflecterend, in meerdere gradaties. De hoge mate van sensibiliteit die de beelden door hun materialiteit oproepen, is een abstract, volkomen zelfstandig gegeven. Met hun uiterlijk als perfecte industriële constructies, zetten zij niet aan tot symbolische of verhalende interpretaties. Deze beelden zijn in hun persoonlijke kwaliteit beslist uitnodigend, maar zwijgend.

Hoewel er geen sprake is van een abrupte overgang, lijken de recentere beelden mededeelzamer. Het zijn ondefinieerbare, maar intrigerende ‘toestellen’, met één

overheersende en onmiskenbare associatie: ze lijken deel uit te maken van de inventaris van een ziekenhuis. Het sterkst wordt deze associatie gevoed door de grote zakken van hospitaallinnen, die in enkele gevallen de hoofdmoot van het beeld vormen. De linnen zakken zijn in een licht onderstel gehangen, dat nog het meest lijkt op de uitgeklapte poten van een wasrek en dat als drager fungeert van een gelaagde constructie van platen lichtblauw tempex, dat is bedekt met paraffine. Als verbindend element treden bundels kronkelende, rode rubberen slangen op. Deze slangen vormen een vertrouwde verschijning in het werk van Roos Theuws. Ze roepen een idee van circulatie op, van energietoevoer. In de vroegere beelden vertegenwoordigen ze in zekere zin ook een relativerend element, door hun flexibiliteit tegenover het onbuigzame en harde van de meeste overige gebruikte materialen, zoals staal of hout. Een kleurrijk. licht speels element in een overigens strenge omgeving. Deze speelsheid is volledig verdwenen. De slangen roepen nu een grimmig en vooral angstaanjagend beeld op van de kabels die op de intensive care afdeling van een ziekenhuis het bedreigde lichaam koppelen aan de reddende apparatuur. Verbindingslijnen tussen leven en dood. Op indrukwekkende wijze refereren deze beelden aan de kwetsbaarheid van het menselijk bestaan, aan vergankelijkheid. Misschien was dat aspect al verhuld aanwezig in vroegere beelden. Ook zij lijken hun energietoevoer, hun ‘Kreislauf’ in de vorm van de rode rubberen aderen, bloot te geven. Maar als dat al zo is, het schijnt hen niet te deren, onkwetsbaar als ze lijken in hun stoere, gladde huid. De nieuwe beelden moeten het stellen zonder deze stoerheid, ze zijn licht en fragiel. Het gebruikte materiaal ontbeert de koele perfectie van weleer. Hun kwetsbaarheid is letterlijk en fysiek.

Een bijna drie meter hoge constructie, bestaande uit kruiselings geplaatste onderstellen en een horizontale drager van het lichtblauwe tempex met paraffine, wordt bekroond door een smal stalen frame waarin aan slordige, onhandige ijzerdraadjes een ribbenkast is opgehangen. De ribbenkast is van flexibel, dun wit rubber en ontbeert stevigheid. Het is hier nog steeds het materiaal dat spreekt, maar het lijkt zichzelf meer te relativeren, ten gunste van een meer gelaagde inhoud en een grotere emotionaliteit.

Lisette Pelsers