Archief

NICOLAAS
DINGS

Annus horribilis

Een eerste benoeming van de elementen die we in het werk van Nicolas Dings herkennen, levert een opsomming op van alledaagsheden: schalen, vaten, kruiken, flessen, glazen, kelken, stoelen, baden, bedden, kussens, bouwwerken, soms een boek, een muziekinstrument, vogels. Het werk van Nicolas Dings confronteert ons voortdurend met volslagen vertrouwde verschijningsvormen.

Natuurlijk kan het niet bij deze simpele registratie blijven. Ten eerste weten we dat we met beeldende kunst te doen hebben en zijn we erop voorbereid, dat de daarin optredende elementen een betekenis hebben die boven het pure object uitstijgt. Ten tweede zijn de voorwerpen niet geïsoleerd gebruikt, maar maken ze deel uit van een grotere samenstelling, zodat we uitgenodigd worden de betekenis die ze ten opzichte van elkaar hebben, te definiëren. Ten derde herkennen we vele van de gebruikte voorwerpen als visuele symbolen, die in de westerse kunsthistorische traditie telkens weer hun opwachting maken.

Teruggebracht tot een opsomming van zijn herkenbare onderdelen voert het werk ons in eerste instantie naar een betrekkelijk basaal niveau. Het alledaagse, menselijke bestaan wordt voor onze ogen opgevoerd: geboren worden, eten, drinken, zich voortplanten, wonen, zich vermaken, slapen, lijden, sterven, alles in een omgeving van bekende en vertrouwde wezens en voorwerpen. We zijn zonder moeite in staat een thematiek te herkennen die even ‘gewoon’ als tijdloos is.

Veel werken zijn samengesteld uit objecten die een directe relatie hebben met het menselijk functioneren: gebruiksvoorwerpen, of, in ruimere zin, voorwerpen die de mens van dienst zijn. Ze roepen een geruststellende wereld op: een wereld van voldoende voedsel, van gezonde slaap in opgemaakte bedden, van reinheid, van stabiele huizen, van zorgzaamheid en welzijn. Even basale als universele voorwaarden voor het menselijk bestaan, voor vertrouwen in het leven.

Deze beelden blijven de mens dicht op de huid. In hun aanspraak op een universele thematiek getuigen ze juist van het private, van een beschermde en beschermende binnenwereld, waar de handelingen waaraan ze refereren zich afspelen. In formele zin wordt deze binnenwereld gekenmerkt door beschutting en beslotenheid, soms zelfs in letterlijke zin. In Hôtel Dieu I bijvoorbeeld zien we een opgemaakt bedje en een reeks voorraadpotten in een glazen kast, als in een couveuse volledig afgeschermd van de buitenwereld. Ook in de Towers of Silence is het tegen deze buitenwereld ongetwijfeld goed schuilen.

In veel van deze werken is sprake van een inhoudelijke tweeledigheid tussen het materiële menselijke functioneren en het spirituele. Dat wil zeggen, het eerste verwijst dan niet uitsluitend naar zichzelf, maar wordt tevens ingezet als symbool voor het tweede. Op de tentoonstelling is het werk Twintub te zien, waarin een wasbekken de vorm aanneemt van een doopvont. Hiermee verwijst het werk niet alleen naar de fysieke reiniging, maar ook naar de spirituele reiniging van water tijdens de doop.

In zijn recente werken sluit Nicolas Dings nauw aan bij de traditie van de christelijke ikonografie, waarin materiële, zichtbare motieven optreden ter vervanging van immateriële, onzichtbare begrippen. De motieven die Dings aan de christelijke ikonografie ontleent zijn ons over het algemeen nog steeds vertrouwd en zijn daardoor in staat sterke associaties op te roepen, ze appelleren aan onze ervaring. Motieven

als lammeren en duiven, die regelmatig in het werk voorkomen, herkennen we respectievelijk als symbolen van onschuld en zuiverheid en van eenvoud en zachtmoedigheid.

Natuurlijk verkondigt het werk van Nicolas Dings geen religieuze boodschap. Hij benut de betrekkelijk alledaags geworden, van oorsprong christelijke, symbolen om een reeks tegenstellingen uit te drukken die inherent zijn aan het menselijk bestaan: de tegenstelling tussen goed en kwaad, onschuld en schuld, hoop en angst, vertrouwen en dreiging.

De titel van de tentoonstelling, Annus horribilis, verwijst uiteraard vooral naar de laatstgenoemde componenten van deze begrippenparen. Het is onvermijdelijk dat het lam en de duif hun tegenbeeld ontmoeten. In het werk van Dings neemt dit dikwijls de gedaante aan van een kraai.

Kraaien zijn de brengers van een slechte boodschap. In Black Rainbow dragen zij, zeven in getal, de doffe, zwarte bundels van een regenboog waaruit elk licht is verdwenen. In het werk Annus horribilis I zijn twee kraaien de dragers van een puntig ovaal dat wordt doorsneden door een horizontale balk. Het beeld heeft de eenvoud en directheid van een wapenschild of een verkeersbord. De visuele boodschap die wordt uitgezonden is, ook zonder dat deze onder woorden wordt gebracht, duidelijk. Maar natuurlijk kan in de interpretatie van de werken ook een niveau worden aangesneden dat dieper reikt dan het oog. De beelden zijn persoonlijke zinnebeelden van een ‘annus horribilis’, van een tijdperk van malaise en versplintering.

Zinnebeelden van de huidige tijd, of liever, hoe die wordt beleefd. Ze belichamen de existentiële angsten van een wereld waar (nog) vertrouwen in het leven heerst, maar de dreiging wel aan de poorten klopt. Ze vinden hun oorsprong niet in eerste instantie in somberheid en fatalisme, maar juist in een grote gehechtheid aan het bestaan.

Het onvermijdelijke besef van de vergankelijkheid van dat bestaan leidt tot de verbeelding van de meest absolute tegenstelling die menselijk gesproken denkbaar is: die tussen leven en dood.

In de vijf vrouwenbustes van Frauenzimmer gaan, zonder onderbreking, zonder zichtbare tekenen van bederf, gedeelten van het hoofd over naar schedel, van het lichaam naar skelet. In de vijf vrouwengestalten worden de zintuigen verbeeld, door middel van toegevoegde attributen: het gevoel door de kraai die pikt, het gezicht door de spiegel, het gehoor door een gat in de schedel, als een klankkast, de reuk door een kruik, de smaak tenslotte door trossen druiven.

De zintuigen behoren traditioneel tot het terrein van het lichamelijke, en dus vergankelijke. Bij Nicolas Dings vertegenwoordigen de zintuigen vooral de geneugten, de goede dingen van het leven en, niet in het minst, de pure fysieke levensbehoeften, gezien vanuit het besef dat dit alles eindig is.

De beelden van Frauenzimmer zijn ons vertrouwd. Dat wil zeggen, ze herinneren ons aan veel wat we eerder zagen. Van het tamelijk gangbare type van de vrouwenbuste, via de alledaagse attributen, tot de gangbare voorstellingen van de dood. Nicolas Dings maakt gebruik van deze collectieve ervaring. In zijn werk vormen het materiële en het symbolische, het fysieke en het spirituele, het alledaagse en het universele elkaars complementen. Tezamen omvatten zij de thema’s van het leven sinds mensenheugenis.