Archief

LON
ROBBÉ

Blak

Op een zwart rubberen veld is, in een geordende opstelling, een groep zwarte voorwerpen geplaatst. Vooralsnog moet het bij deze simpele constatering blijven, want het lijkt erop dat we deze voorwerpen kennen, maar dat ze een gedaantewisseling hebben ondergaan waardoor hun identiteit niet meer vast te stellen is. Voorzover de herinnering al verbonden is met een specifieke gedaante – het kost inspanning om exact te reproduceren, in welke vorm dan ook, wat we gezien hebben – is het zeker dat we ons de voorwerpen niet herinneren in de gedaante die ze hier hebben aangenomen.

Hun identiteit gaat – letterlijk – schuil onder een deklaag, die materiaal en kleur verhult en slechts de ruwe contouren zichtbaar laat. Anders gezegd: wat in beginsel vertrouwde, alledaagse voorwerpen zouden kunnen zijn, zij het dat ze soms te groot, soms te klein lijken ten opzichte van elkaar, zijn gedompeld in een bad van zwarte was, die in gestolde vorm op de buitenzijde is achtergebleven. Door deze ‘coating’ gaat de scherpte van de vorm en de detaillering goeddeels verloren. De zwarte gedaanten refereren nog wel aan werkelijke voorwerpen, maar op de manier zoals een prototype dat doet, dat pas in een proces van verdere uitwerking en verfijning zijn beoogde identiteit, vorm en functie aanneemt.

Treedt door de waslaag een aanmerkelijk vormverlies op, het neutrale, egaliserende zwart berooft de voorwerpen nog verder van hun individualiteit en bovendien van hun optische stabiliteit: ze lijken te drijven op het zwarte vlak.
De gladde, zwarte huid doordringt ons ervan hoe zintuiglijk onze herinnering is. Ze appelleert niet alleen aan onze visuele waarneming, maar ook en vooral aan de meest concrete van onze zintuigen: de tastzin. De opgestelde voorwerpen noden tot aanraken, niet in de laatste plaats in een poging om alsnog de identiteit vast te stellen. Ze bevinden zich echter op een afgebakend vlak van smetteloos rubber, niet bedoeld om te betreden. Zo blijven ze letterlijk en figuurlijk op afstand. Ze zijn onbenoembaar. Niet zozeer mysterieus, maar eenvoudig niet met woorden te definiëren.

Om deze onbenoembaarheid is het hun maker, Lon Robbé, te doen. Zij laat ons slechts de mogelijkeid de voorwerpen te aanschouwen en te beschouwen. In de zorgvuldig geregisseerde opstelling is hiertoe voor ons reeds een plaats ingeruimd. Het rubberen veld is neergelegd aan de voet van een verhoging in het gebouw van de Kunstvereniging, die als een soort podium fungeert. Voor deze gelegenheid is dit podium getransformeerd tot een tribune met rijen stoelen, waarop het publiek plaats kan nemen en kan neerzien op de ordening van voorwerpen. Het model voor deze opstelling werd geleverd door Italo Calvino die zijn meneer ‘Palomar’ in het gelijknamige boek een Zen-tuin laat bezoeken, ‘het typische beeld van de contemplatie van het absolute dat bereikt wordt met de allereenvoudigste middelen en zonder gebruik te maken van begrippen die met woorden uit te drukken zijn’. De ironie van het verhaal is dat de bezoekers, die deze ervaring zouden kunnen ondergaan, dit tegelijkertijd door hun massaliteit voor zichzelf en anderen onmogelijk maken.

Robbé schept haar eigen versie van een tuin. Er kan ook gesproken worden van een theater, waarin alle aanwezige elementen een ongebruikelijke rol spelen en daarmee de zinnen op scherp stellen. De ruimte als geheel is verduisterd. De voornaamste lichtbron wordt gevormd door een projectie op de wand achter de toeschouwerstribune, die een zwart-wit beeld toont van een waterval. Het bruisende natuurgeweld van deze waterval is in het stilgezette beeld een gestolde massa geworden. Het licht dat de projectie geeft versterkt het theatrale aspect van de verduisterde ruimte.

In dit tot in de details gearrangeerde theater, deze formele tuin, zijn alle elementen geregisseerd: de voorwerpen, de natuur, het publiek en het beschouwen.

Lisette Pelsers