Archief

FORTUYN/O'BRIEN

Buitenplaats

De uitroep ‘Wat is de natuur toch mooi!’, te berde te brengen telkens wanneer men zich op het platteland bevond, maakte eind vorige eeuw deel uit van het ‘Woordenboek van conventionele ideeën’ van Gustave Flaubert’s anti-helden Bouvard en Pécuchet en was dus toen al een cliché. Tegenwoordig is op het platteland al helemaal geen sprake meer van natuur in de strikte zin van het woord. De menselijke hand is overal zichtbaar, zij het dat zij zich manifesteert met uiteenlopende bedoelingen en vooral met wisselende intensiteit.

In deze zin kan de overwegend agrarische vormgeving van het platteland rond Diepenheim ervaren worden als een min of meer natuurlijke landschappelijke staat. Op de kaart van Diepenheim en omgeving tekenen zich plekken af waar deze ‘natuurlijkheid’ of liever vanzelfsprekendheid, wordt onderbroken door een afwijkende en specifieke vormgeving. Het omringende landschap gaat gewoon zijn gang, maar hier, op deze plekken is ingegrepen, zo lijkt het. Het landschap is benaderd en vormgegeven vanuit een ander belang dan het puur agrarische nut. Het zijn plekken als de kastelen met bijbehorende tuinen, de verschillende bungalowparken en campings, de forellenvijver, de watermolen met restaurant. Het landschap is hier als het ware van binnenuit vormgegeven, vanuit de beleving en de blik van eigenaars, bewoners en gebruikers.

Elf van deze plekken, aangetroffen op de landkaart van Diepenheim, zijn door Fortuyn/O’Brien uitgekozen en gefotografeerd. Daarbij heeft zij niet haar eigen blik op het landschap geprojecteerd. Het is hier nadrukkelijk niet de kunstenaar die de kaders schept waardoor het landschap waargenomen en geregistreerd wordt. Deze kaders zijn gegeven door de ‘blik van binnenuit’ van de bewoners of gebruikers. Met andere woorden, zoals het landschap wordt waargenomen door de gebruikers, zo is het door Fortuyn/O’Brien vastgelegd. De plekken van waaruit gefotografeerd is en van waaruit het landschap door de bewoners gezien en beleefd wordt, zijn daarom in feite net zo belangrijk als wat gefotografeerd is. Meestal staan op deze plekken stoelen of banken, maar soms ook een vissersstoeltje of het opstapje van een caravan. Het meubilair is

zorgvuldig geposteerd, soms zijn er uitgesproken lievelingsplekken. De positie van het meubel bepaalt wat het uitzicht is en hoe ver dat reikt, de plaats of plaatsing is dus bepalend. Het resultaat is een reeks foto’s waarop het landschap zich van zijn beste kant laat zien. Tegelijk is duidelijk, dat dit het gevolg is van menselijk ingrijpen. Want ook wanneer er geen sprake is van een eigenhandige vormgeving van de omgeving, schept de plaats van de stoel of de bank het kader. De positie van het waarnemingspunt ordent de omgeving. De mens posteert zich zo, dat het landschap zich op zijn mooist kan tonen.

De foto’s – dertien in totaal, op twee van de plekken zijn twee foto’s gemaakt – worden op wisselend formaat gepresenteerd in de vorm van ouderwetse schoolplaten, met stokken waar omheen ze opgerold kunnen worden. In de Kunstvereniging worden de foto’s vergezeld van de stoelen en banken van waaruit ze tot stand zijn gekomen. Voor de duur van de tentoonstelling worden de meubels op hun originele plaats vervangen door eenvoudige ruw-houten bankjes, die door Fortuyn/O’Brien speciaal hiervoor gemaakt zijn. Deze rustbankjes, met boomstammetjes als een soort kussenrollen, zijn variabel van afmeting, afhankelijk van het formaat van het meubel waarvan ze tijdelijk de plaats innemen.

In de Kunstvereniging wordt, door de combinatie van foto’s en meubilair, de oorspronkelijke situatie op de elf plekken gereconstrueerd. Door deze enscenering is de bezoeker niet alleen toeschouwer, maar deelnemer. Hij kan zichzelf in gedachten verplaatsen naar de oorspronkelijke plekken en het landschap waarnemen en beleven vanuit de ‘blik van binnenuit’ van de gebruikers. Wat in de enscenering in de Kunstvereniging vooral benadrukt wordt, is de essentiële relatie tussen het waarnemingspunt en het waargenomene en de wijze waarop het eerste het tweede manipuleert. Hiermee blijft Fortuyn/O’Brien dicht bij de kern van het begrip ‘buitenplaats’, gelegen in de onverbrekelijke eenheid van het traditionele landhuis en zijn omgeving. De vormgeving van het landschap wordt bepaald vanuit het huis, vanuit de blik van zijn bewoners.

Lisette Pelsers