Archief

BERLINDE
DE
BRUYCKERE

De slaapzaal

De installatie van Berlinde de Bruyckere schept twee werelden: die van het licht en het donker, van de dag en de nacht, van het waken en het slapen, wellicht zelfs van het leven en de dood. De werelden zijn hoe dan ook strikt gescheiden. De ene is betreedbaar, de andere is dat niet.
In de ene, de eerste, bevinden wij ons, de toeschouwers en speelt zich het gewone leven af, het komen en gaan van bezoekers, gesprekken, straatgeluiden, zon die naar binnen schijnt.

De andere wereld is gesitueerd in een hoge, vrijwel geheel verduisterde schacht, waar wij slechts van bovenaf in kunnen kijken. Zes meter beneden ons lijkt het leven tot stilstand gekomen in ‘De slaapzaal’.

In deze zaal staan vijf met dikke lagen dekens opgemaakte bedden, elk slechts beschenen door een peerlamp. De bedden hebben althans voor ons oog geen vaste grond onder de voeten, ze lijken te verzinken in een wateroppervlak, dat de gehele vloer bedekt. Hooguit staan ze op blokken, die wel gebruikt worden om meubels op te plaatsen in geval van overstromingen.

Het beeld van ‘De slaapzaal’ is verwarrend. De bedden met de dekens zijn op zichzelf geruststellende verschijningen, warmte, rust en beschutting biedend. Door het water echter zijn de bedden ontoegankelijk geworden. De tientallen dekens waarmee ze zijn bedekt maakt ze als bed bovendien bij nader inzien onbruikbaar. Op verschillende plaatsen zijn de lagen dekens doorboord door grote gaten, die een dwarsdoorsnede laten zien van de opeengestapelde dekens. Soms zijn de gaten zo diep dat de matras zichtbaar wordt. De dekens bieden geen beschutting meer, maar lijken nog slechts een verstikkende broedplaats voor een kwaadaardig virus dat de bedden aanvreet en dat uitstekend gedijt in het vochtige duister van de zaal.

‘De slaapzaal’ in de Kunstvereniging Diepenheim schept een context, die de ambivalentie van de bedden en de dekens, elementen die Berlinde de Bruyckere eerder toepaste, zeer uitgesproken toont. In 1993 maakte zij een ‘Dekenhuis’, een grote rechthoekige ruimte van dekens en verleden jaar ontstond het motief van de bedden met de dikke lagen doorboorde dekens. De Bruyckere toont ons het bed als een plaats die even nauw verbonden is met het leven als met de dood. Haar dekens roepen niet alleen een beeld op van warmte, huiselijkheid en fleurigheid – het is haast onvoorstelbaar in hoeveel verschillende dessins en kleuren ze zijn uitgevoerd – maar ook van rampen, daklozen, vluchtelingen en ellende.

‘De slaapzaal’ houdt de toeschouwer een spiegel voor, ook in letterlijke zin. Vanaf de enige plek waar hij het werk kan ervaren en hij zich vooroverbuigt naar de donkere schacht, ziet hij onvermijdelijk zijn eigen beeld gereflecteerd in het zwarte wateroppervlak. Wellicht tot zijn schrik kijkt hij naar zichzelf als deel uitmakend van deze besmette onderwereld. Op het moment echter dat hij zich terugtrekt en de scène beneden hem van zijn netvlies verdwijnt, is ook zijn beeld in het water verdwenen. Hij bevindt zich immers in de ene wereld, die van het licht en de dag. De andere, die van ‘De slaapzaal’, bevindt zich op veilige, onoverbrugbare afstand. In feite ervaart hij even de ambivalentie van het leven. Niet meer en niet minder.

Lisette Pelsers