‚Äč

Archief

ANNE
VAN
DE
PALS

...er nestelt zich een vogel tussen mijn takken...

‘Een maand geleden belde je me op met de vraag hier je werk te komen introduceren. Daarop ben ik naar de polderweg gefietst om op je atelier je werk te bekijken. Wat ik daar te zien kreeg, heeft mij enorm verrast. Het was een dartele boel, kleurige beelden hingen verspreid in de ruimte en aan de wanden. Het was er vol. Ik moest me door een web van deken-draden een weg banen om elk werk afzonderlijk vanuit verschillende gezichtshoeken en van dichtbij te kunnen zien.

In 2001 was in je tentoonstellingen een mat gekleurde wereld te zien van uitsluitend papier: tekeningen op wit papier en beelden van wit papier. Mat wit was het werk met slechts daar de glans waar de lijm de kronkelige vormen, die zich uit het papier worstelden, vastzette. Een levendige wereld van organische vormen, onaanraakbaar prachtig.

Wat ik nu aantref lijkt dichterbij huis: wollig, warm geurt het in gedachte naar mottenballen, planten en ziekenhuisluchtjes. Het zou ook een laboratorium kunnen zijn waarin veel broeiende is, een kunstmatige wereld waarin van alles ontkiemt. Wanneer je met dekens begonnen bent, weet ik niet, ik heb het je niet gevraagd. Maar ik herinner me dat je, toen je nog op de Rijksacademie zat, enkele beelden hebt gemaakt met dekens in zachte, vooroorlogse kleuren. Deze felkleurige explosie is recenter. Enkele werken waren ook al eerder te zien, zoals de ‘brancard-bed-beelden’ en de ‘anusbloemen’. Het onderwerp ‘brancard-bed’ mag dan door het lange ziekbed van je moeder tot beelden hebben geleid; je geschiedenis enigszins kennende kan ik vermoeden dat deze thematiek al langer in je bestaan een rol speelt.

Toen je op de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam in mijn klas kwam, had je al twee levens achter de rug: die van boerendochter op de boerderij van je vader en van verpleegster in een ziekenhuis. Je begon gespannen aan de opleiding, hopend op een nieuw en eigen bestaan dichtbij jezelf. Ik geloof dat ik je toen hard heb aangepakt, omdat ik je talent voelde. Van mijn grootvader, die hoogleraar was, weet ik dat hij zich met studenten waar hij veel in zag, lang en diepgaan onderhield, in tegenstelling tot de korte examens van de overige studenten. Ik denk dat ik jou erg uitdaagde om ver te gaan. Jij was daar toen niet altijd even blij mee. Later is dat goed gekomen.

Als ik met je praat, valt mij telkens weer je taal op. Niet het Brabantse dialect, maar het gebruik van taal, waarbij van enige artistieke pretentie geen sprake is. Je maakt eigen woorden waarmee je korte, dwarse zinnen bouwt. Ik zal er een voorbeeld van geven. Twee weken

geleden zei je onder meer: ‘alles verlijft bij mij’. Een kernachtiger samenvatting van je aanpak en intensiteit van werken kan ik niet bedenken. Inderdaad: jij verlijft alles, of je nu papier of dekens onder handen neemt. Vroeger gebruikte je de tabak, waar je sigaretten mee rolde en zelfs poep.

Met andere woorden: je wilt verlijven, totaal verpoppen in je werk. Je kruipt in het materiaal en samen verlijven jullie. Je ontfutselt je beelden stukje bij rukje aan papier of deken en aan jezelf, waarbij associatieve gedachten een richtinggevende rol spelen. Zo werk je heftig op twee sporen tegelijk, zonder een helder beeld van je werk voor ogen. Jij zij mij: ‘in eerste instantie gooi ik het binnenste van de deken naar buiten en dan vergroeit het.’ Toen ik je vroeg wat je zo aantrekt in dekens, was je enige antwoord: ‘tot mijn schrik had ik een paar jaar terug van een deken een kind gemaakt.’ De deken verlijft door jou heel natuurlijk voornamelijk in organische vormen. Vertrouwdheid met de organen van mens en dier spreekt heel duidelijk. ‘Ik weet hoe het binnenste van een varken voelt’, vertelde je mij. Je had immers biggetjes gehaald uit de buik van een zeug, die het niet aankon, omdat jij in de familie die langste armen had.

Beelden aan de wand groeien als zwammen uit de muur. Ze zijn er niet ingevlogen, zei je, met nadruk. Na de academie, herinner ik me, begon je gaten en scheuren in het atelier op te zoeken en er kleine beelden als het ware uit te trekken. Hier ook bewegen zij zich van de plek af de ruimte in en naar beneden, zoeken de grond soms met slepende tentakels. Alsof zij in de aarde terug willen keren. Ontstaan en vergaan liggen zo in al hun natuurlijkheid in elkaars verlengde.

Bij de ‘brancard-bed-beelden’ voel ik nog sterker dat het bestaan hangt in ontstaan en vergaan tegelijk; alles is, al suggereert het geboorte, ook op weg naar het einde. Orgaanachtige vormen met plantaardige uitlopers kunnen soms in beweging komen door de tocht van een opengaande deur. Geur wordt gesuggereerd bij de zerkstukken en de ‘brancard-bed-beelden’.

Alle werken bespelen de zintuigen en gevoelens van de kijker met hun eigentijdse gedaante van kleurige groteskheid. Hun zachtaardige grillige wezen maakt de irritante lichtheid van het bestaan tastbaar. Zij roepen tederheid en vooral mededogen bij mij op voor al wat het leven door moet. Zij ontroeren mij door hun eenzame, hulpeloze, aardse eigenheid.

Helly Oestreicher

Openingstoespraak
2 februari 2003
Cacaofabriek Helmond