Archief

PETER
BUGGENHOUT

Eskimo Blues

De eerste werken van Peter Buggenhout die ik zag, waren allemaal gemaakt van gereinigde dierendarmen. De organische vormen, die deels gevuld waren, toonden een beeld dat werkelijk in zichzelf (of uit zichzelf) gegroeid leek. Het leken wel natuurlijke vormen, die hij wel op mij onbekende plekken tegengekomen kon zijn en die hij meegenomen had naar zijn atelier. Of waren ze opgegraven? Of misschien gekweekt in een geheimzinnige kas? Het werk deed wonderlijk normaal, als ook een beetje kunstmatig aan. In feite had ik al moeite om de dingen werken te noemen, vanwege hun vanzelfsprekende, maar ook raadselachtige aanwezigheid.
Het archaïsche karakter van de beelden werd in zekere zin versterkt doordat ze, als in een natuurhistorisch museum, op een sokkel waren geplaatst. Ook dat had iets kunstmatigs. In zijn laatste tentoonstelling in het Cultuurcentrum te Brugge, gebruikte Peter Buggenhout de darmenwerken veel meer als onderdelen van een grotere installatie. De beelden waren zo weer heel anders te duiden. De presentatievorm had de overhand gekregen op het simpel tonen van de darmsculpturen op een sokkel. Eens te meer maakte de installatie de indruk een plek te zijn waar de darmvormen als het ware geboren werden. Waar ze in de laatste fasen van hun groei waren aangeland. Door middel van het plaatsen van de beelden op tafels, bureaus en in kasten werd het raadselachtige en kunstmatige van hun ontstaan versterkt. De aangebrachte afscheidingen, kleurplaten en lampen maakten het werk kompleet. Wij blikten in een laboratorium van een wonderlijke, spirituele geest.

Toen Peter Buggenhout zijn plannen voor de ruimte van de Kunstvereniging Diepenheim onthulde, bleven er vragen over hoe het er nu uiteindelijk zou gaan uitzien. Maar de ingrediënten die hij wilde gebruiken maakten alleen maar nieuwsgieriger naar wat er straks zal zijn. In een uitgebreide brief onthulde hij toch al een groot deel van wat uiteindelijk Eskimo Blues zou gaan heten.

Laat me beginnen met een korte beschrijving hoe de tentoonstelling gegroeid is. Een aantal maanden geleden las ik een essay van John Berger. Hierin vergelijkt hij onze situatie, ons omspringen met de ons omgevende wereld, met het schilderij De Apocalyps van Jeroen Bosch. Het is een situatie zonder horizon (lees: zonder enige richtinggeving), waar alles tegelijk gebeurt, zonder enige voorspelbaarheid. Verder in de tekst, heeft Berger het er over dat wij in het leven als het ware puzzelstukken aangereikt krijgen, die hoe we het ook proberen, niet langer in elkaar te passen zijn. Waarna een vergelijking volgt van hopeloosheid en richtingloosheid met infernale situaties.

Eskimo Blues wil een antwoord zijn op deze tekst. Moeten de puzzelstukken wel in elkaar passen? Berger vertrekt van een twee-dimensionaal paradigma, van eenheid als noodzaak. Laten we daarom beginnen met de puzzelstukken niet naast, maar boven elkaar te leggen. De positie die wij innemen tegenover deze situatie is dat wij ons bewegen tussen al deze lagen gestapelde brokstukken, puzzelstukken. Een analoog en perfect functionerend voorbeeld van een soortgelijk systeem is naar mijn idee het menselijk lichaam, waar alle processen elk in zijn tempo, dikwijls onafhankelijk van elkaar, functioneren. Een ander dergelijk systeem, dat uitgesproken drie-dimensionaal functioneert, is de computer, is internet.
Hoe zal zo’n tentoonstelling in de Kunstvereniging Diepenheim er dan kunnen gaan uitzien?
Het makkelijkst is te denken dat verschillende lagen van gebeurtenissen, emoties, bedenkingen, materialen op elkaar gestapeld worden. Ik begin met het afpellen van deze lagen van boven naar beneden. Bovenaan worden de vensters van het gebouw bedekt met een rode, lichtdoorlatende plexiglasplaat. Een dergelijke wand wordt ook opgetrokken ter hoogte van het podium, en voor de smalle venstertjes van het podium.
Een rode gloed zal de ruimte gaan doordringen.
Natrium lampen hangen aan het plafond, tot net boven een netstructuur uit staal en geplastificeerde draad. De ruimte eronder wordt bezaaid met ruitvormige schaduwen. Op de grond ligt een aluminiumkleurige, kartonnen vloerbedekking, die alles sterk weerkaatst en het geheel nog onwezenlijker maakt. Dit gevoel van onwezenlijkheid wordt bovendien versterkt doordat de hoeken tussen muur en vloer afgerond worden. Op deze wijze lopen de schaduwen die het net afwerpt, mooi door.
Elke verbinding tussen de tentoonstellingsruimte en buiten, wordt afgedekt door een wand van polyurethaanplaat, bedekt met aluminiumkleurig papier. Binnen dit geheel komen een viertal darmsculpturen te staan, die zich als autonome ‘wezens’ moeten profileren in deze toch wel vreemde, onwezenlijke situatie. Op de een of andere wijze verwacht ik dat ze een vreemd soort bondgenoot van de toeschouwer, de bezoeker zullen worden. Op eerste verdieping komt een vitrinekast te staan met drie beelden, die verlicht worden door rood, broeierig licht.

Peter Buggenhouts brief maakt nog melding van de benodigde materialen, de dingen die hij zelf meeneemt en een plan om het hele proces te fotograferen, zodat er de mogelijkheid van een publicatie achteraf komt. Met zijn uitgebreide omschrijving van de installatie is er een groot deel van het geheim van Eskimo Blues onthuld, maar eveneens wordt de indruk gewekt dat het een werk wordt, waar je je vooral in moet bewegen om tot een indringende ervaring te komen. Waarmee het geheim van de titel van de tentoonstelling nog steeds niet ontsluierd is.

Arno Kramer