Archief

JAN
VAN
DE
PAVERT
&
FRANK
MANDERSLOOT

Geen tafel voor twee

Beste E.J.M.,

Ik vertelde je laatst al dat ik besloten had om Frank Mandersloot uit te nodigen voor dat project in Diepenheim. Toen we elkaar daarvoor ontmoetten, lag alles nog open; ik wist niet waar de samenwerking toe zou leiden.
Eerst kregen we het plan om multiples, boeken en andere spullen te gebruiken –allemaal werk van andere kunstenaars– en daar tekst bij te voegen. Er zouden bijschriften bij komen die vergelijkbaar zijn met de opmerkingen die je maakt tijdens een gesprek, op zo’n manier dat er iets duidelijk zou worden over onze verhouding tot dat werk.
Uiteindelijk vonden we dat dit meer thuis hoorde op een andere plek. Dat komt mede doordat de Kunstvereniging in Diepenheim een grotere sociale betrekking met de omwonenden heeft dan een tentoonstellingsruimte in een stad als Amsterdam –ik hoef je alleen maar te herinneren aan die twee meisjes die een keer voor ons in de tram zaten, waarvan de ene, toen we langs het Rijksmuseum kwamen, in plat Amsterdams tegen de ander zei: ‘Ik vind dat toch zo’n mooi gebouw, hè. Wat zou dat toch wezen? Zeker een postkantoor of zo.’
Eerst besloten we er een rij werken neer te zetten, waarbij mij spullen op tafels kwamen te staan, en het werk van Frank zelf uit tafels bestond. We spraken over de betekenis van die werken voor die plek en kwamen op Diepenheim als plaats in de sociale context; iedereen weet er waar de Kunstvereniging is en veel bewoners zijn er wel eens bij betrokken geweest. Eerst dachten we er aan die context binnen te halen door er een crèche te vestigen, zodat er tijdens de tentoonstelling kinderen zouden zijn, spelend, huilend, etend, poepend en plassend, en er al die dagen ouders in en uit zouden lopen om hun kroost te brengen en weer af te halen.
Daarna besloten we om een element van die tentoonstellingen in de Kunstvereniging zelf uit te buiten, te versterken en tot werk te maken. Ik had in Breda al eerder een maaltijd als werk georganiseerd, met pasteien, een overdekte tafel en een oven. Nu hadden we al aan die tafels gedacht en zou het mogelijk zijn daar de maaltijd aan te geven. Omdat die tafels kunstwerken zijn of kunstwerken presenteren, wordt er dus van de werken gegeten. Hoewel ik aanvankelijk niet wist dat het zo zou gaan lopen, leek het toen of ik Frank had uitgenodigd om zijn werken –die tafels– te integreren in iets dat in het verlengde stond van de maaltijd die ik in Breda had georganiseerd. Wat me sterk bevalt is dat hier geen sprake is van elementen als de maaltijd als metafoor. Het is gewoon een maaltijd zonder meer.
De maaltijd zal ter plekke gemaakt worden. Terwijl de bezoekers op de opening komen, staan wij te koken. En wellicht dat ook de tafels waarop wij koken voor die gelegenheid gemaakt zullen zijn. Zo wordt de betrekking die de bezoeker tot een werk heeft letterlijk in dat werk opgenomen en omgekeerd, wordt het werk door de bezoeker opgenomen.

Misschien dat je ook kunt komen. Als je lang wilt blijven en het vervoer een probleem wordt, kun je een slaapzak en een matras meenemen. Ik hoop je daar nog te zien.

Een kus en een groet!

Jan van de Pavert

Beste R.,

We zijn eigenlijk al klaar, Jan en ik, wat nog moet gebeuren is detail, een titel voor de tentoonstelling kiezen (‘detail’?), een paar tafels maken en Jan een paar modellen, maar de eigenlijke vorm van de samenwerking is het gesprek, de rest is materiaal en context en dan kan de opening opnieuw een vorm van gesprek zijn.
De spil van ons gesprek was en is hoe je de werking van het esthetische object kunt verleggen of, zoals ik het zelf noem, het verglijden van de gebruikswaarde. Jan zei dat we al een eeuw bezig zijn de kunst te vernietigen, wat als een rode draad door het modernisme loopt. Dat zit natuurlijk vol paradoxen of dilemma’s, want daar waar de kunst haar eigen functie hardop bevraagt, bestaat de dreiging van herbevestiging van bepaalde voorwaarden. Als ik bijvoorbeeld de tafel, die ik voor m’n eigen huis heb gemaakt, in een museum zet, wordt het een beeld. Het feit dat het ding een tafel is wordt verwijzend binnen een beeldende taal. Er komt dan ook een accent te liggen op de sculpturale middelen, een overbrugging van de museale code –’je mag er wel naar kijken maar aankomen niet’– maar ik denk dat de paradoxen vooral liggen in de omgang met die wisselende gebruiksvoorwaarden, dat kunstenaars, hoewel bewust van de invloed van de context de dingen vooral als gebruiksvoorwerpen kunnen zien, als modellen van en voor het denken, dan wel als dingen die, in verschillende vormen van gebruik, ervaringen oproepen. Een groter publiek is vaak een passiever deelnemer, zoekt houvast en leeft met vertrouwde verwachtingen. Er kan onzekerheid zijn, maar ook conservatisme. Het is interessant dat daar, waar de kunstenaar een publiek wil bereiken, een sociaal verband wil, het probleem altijd weer blijkt te zijn dat niemand wil geloven dat kunst eenvoudig is, dat de toegang tot de kunst vooral ligt in persoonlijke ervaringen. Daarop te vertrouwen, dat mogen kunstenaars van anderen verwachten en verder vind ik dat we niet moeten zeuren dat niemand op ons zit te wachten, want kunst initieert veranderingen zonder enkel verzoek.
Als ik nu laat en aangeschoten de katten voer, voel ik hun ziel en ik denk: dat is de orde van nu, dat ’t volgens de wereld om ons heen lullekoek is, die kattezielen.

FRANK