Archief

CHARL
VAN
ARK

Gezelschap

Hengelo, 15-08-97

Lieber Arno,

Du hast Charl gefragt, ob er jemanden wüßte, der eine kurze Einführung in sein Werk schreiben könne;
Charl fragt mich, ob ich das tun wolle und ich sagte ‘ja’.
– Jetzt sitze ich da und frage mich ‘wie?’; Liebende nach der Welt in ihrer Allgemeinheit zu fragen ist ein zum Scheitern verurteiltes Unterfangen. –
Dennoch ein Versuch:

1993 lernte ich Charl kennen. Ich sollte für das Kulturamt der Stadt Osnabrück mit dem LKW Werke eines niederländischen Künstlers zur Ausstellung in Osnabrück abholen. Dieser Künstler war Charl.
Das Atelier lag in der ersten Etage einer alten kleinen Schule (gegenüber einer Kirche und mit einem rauschenden Birkenbaum vor dem rechten Fenster) und war genau richtig proportioniert: 7 × 7 × 3,5 m – nicht zu groß und nicht zu klein. Wir hatten ein merkwürdiges Gespräch über … – ich werde die Begegnung nicht im Detail schildern.
Links vom Eingang, auf der Ablage eines riesigen ‘gebroken wit’ lakierten Einbauschrankes, standen im gleisenden Licht einer Glühbirne eine im Laufe von 10 Jahren gewachsene Ansammlung von Objekten: Andenkstücke an Ereignisse, Menschen, Orte, Fotos von Familienmitgliedern, ‘Beinah-Kunstwerke’, zahlreiche kleine Glasobjekte, Porzellanteller, kurzum: Dinge, die zu betrachten dem Auge Freude machen; eine evolutiv entstandene glitzernde Miniwelt.
Zur Rechten der Eingangstür, an einer 7 m langen, mit hunderten von Bohrlöchern versehenen Wand, lehnten die Ausstellungsexponate: u.a. ein nostalgisch anmutendes, mit vielen Lachschichten überzogenes, ausvergrößertes Kinderfoto von Charls Mutter (ca. 150 × 250 cm), ein mit weich-weißen Moleton bezogenes Oval aus Holz (h:182 cm = Charls Höhe), eine Malerei mit vielen Punkten (Abstraktion von Charls Körper), 2 Kästchen mit Punkten (Abstraktion von Charls Händen), eine Garnrolle mit 2 Knöpfen, ein kleines, braunes, beinah ovales Holzplättchen mit einer Nummer ‘1764’, ein Ständer mit einer schwarzen unvollendeten, selbstgeschneiderten Anzugjacke, an dessen Fuß drei Bücher mit Herzformen standen. Hätte mich damals jemand gebeten etwas zu Charls Arbeiten zu sagen, dann hätte ich gesagt: ‘Hier arbeitet jemand malerisch-objekthaft-architektonisch-minimal-abstrakt-konkret-grafisch; Resultat: erzählerisch-minimale-autobiografische Poesie. – Das Merkwürdige war: alle diese Dinge gehörten – trotz ihrer Unterschiedlichkeit – zueinander. – Dies schreibend denke ich plötzlich an Merleau-Pontys Begriff ‘l’être au monde’, das Sein zur Welt. – Vielleicht ist es ja so, daß jede Arbeit eine Arbeit zur Welt ist, zur Erlebniswelt des jeweiligen Künstlers, weshalb dann auch alle Arbeiten in ihrer Unterschiedlichkeit mit- und zueinander eine Einheit formen. –
Ausstellung Charl van Ark, Kunstvereniging Diepenheim, September 1997. Zu sehen sind u.a.: Schrankarchitektur, Jacke, Holze, Glas, Lack, Löcher, Punkt-Abstraktion des Körpers, Konkretion des Körpers, Körper überhaupt, Hände, Fotos, Versammlung, Bücher, Ohr, Wand mit Löchern, Garnrolle.
Hat sich etwas verändert? – die Materialen sind noch immer diegleichen, manchmal sogar dieselben. Themen: Körper als Raum, Körper im Raum (Schrankarchitektur), Körper zum Raum (Schrankarchitektur), Raum, Restanten von Körperhandlungen/-bewegungen, Accessoires, Körperteile; – noch immer ist alles minimal-abstrakt-konkret-autobiografisch-lyrisch-poetisch.
Die alte Geschichte. Charls Geschichte.
Und doch, etwas hat sich meines Erachtens geändert: die autonomen Arbeiten der letzten 2 Jahre sind komprimierter und zugleich komplexer, ‘runder’.
Charl redet oft von ‘Momenten’ innerhalb einer Arbeit, ein guter Begriff für ein durch die Objekte Katalysiertes, im Betrachtungsvorgang Entstehendes. Die Poesie entsteht zwischen den Momenten, die in ihrer Unterschiedlichkeit einander suchen, die Geschichte erzählen und doch nie eins werden. – … ich probiere etwas auf den Punkt zu bringen und es klingt unglaublich aufgeblasen … ein Problem der Wortemacher: nochmal sagen, anders sagen, nochmal falsch sagen – ich höre jetzt auf mit den Worten.
Lieber Arno, bitte mach’ Du doch noch ‘mal Worte. Schließlich verfolgst Du Charls Arbeit viel länger als ich; vielleicht kannst Du, was ich an dieser Stelle begonnen habe, ‘rund’ machen, kritisieren und/oder aus Deiner Sicht ergänzen, was ich in meiner Blindheit nich sehe.

Viele leibe Grüße (auch an Rineke!)
in der Hoffnung auf schnelle Antwort

Uli

Broekland, 17 augustus 1997

Lieve Uli,

De gedachte om in een retourbrief aan jou iets over Charl’s werk te schrijven, is sneller geopperd dan uitgewerkt. Laat ik zeggen dat het idee me zeer aanspreekt. Ik schrijf nogal vaak brieven en ontvang ze vanzelfsprekend ook graag. Met enkele mensen heb ik zo een jarenlange correspondentie opgebouwd, die soms enigszins formeel is begonnen, over werk, beeldende kunst of over literatuur. In het begin overdenk ik dan waarover ik wil schrijven, maar als zo’n briefwisseling persoonlijker wordt, maakt het zelfs dikwijls niet meer uit waar het gewicht inhoudelijk ligt, als er maar geschreven wordt. Natuurlijk houd ik niet van lulkoek, maar een vrolijke noot, een goede anecdote wil ik wel graag lezen.
Schrijven dwingt je onbewust om na te denken, je moet proberen duidelijk te formuleren. Dat is ook wat ik van literatuur verlang. Duidelijkheid, maar die mag best zwaarwichtig zijn. Ik vind dat er in jouw moedertaal, het Duits, erg veel moois is geschreven. Altijd wel wat zwaar op de hand en niet overlopend van humor, maar zo mooi geformuleerd. Het lijkt mij dat dit eigen is aan de Duitse taal. Het prettige van veel lezen is, dat je dikwijls iets tgenkomt dat zo geformuleerd is, zoals je het zelf zou willen doen, maar waarvoor je het vermogen mist. In mijn eigen teksten figureren dan ook beslist regels van anderen, zij het niet te letterlijk. Zoals Gerrit Komrij ooit al opmerkte: ik jat als de raven. Als je het maar weet te gebruiken en verstoppen. Nu zou het hier over het werk van Charl van Ark gaan en je merkt dat het eigenlijk een ‘gewone’ brief aan het worden is.
Jouw eerste kennismaking met het werk is enigszins vergelijkbaar met de mijne. Ik kende Charl’s werk eerst op afstand, omdat ik in een commissie zat waar zijn schilderijen regelmatig werden bekeken. En altijd overigens positief beoordeeld. Zo raakte ik geboeid en telkens weer nieuwsgierig naar wat de nieuwe ontwikkeling zou zijn. Want die was er, er was nooit hetzelfde. Nooit heb ik in de periode dat Charl op doek schilderde hem op het ontwikkelen van een stijl kunnen betrappen. Het was duidelijk dat het hem om heel andere dingen ging dan de schilderkunst op zich.
Er moest iets worden uitgedrukt, dat zich soms uit de krochten van zijn geest leek te wringen en dat die vorm moest hebben die het uiteindelijk had.
Meestal waarlijk prachtige schilderijen. Doeken die leken te gloeien, te stralen. Coloristen zouden ze gemakkelijk saai hebben kunnen noemen. Maar voor mij waren het bijzondere, poëtische beelden. Toen zich een mogelijkheid voordeed om een grote tentoonstelling te maken van kunst uit Overijssel, was het voor mij duidelijk dat Charl’s werk daar bijhoorde. Zo geschiedde en ik meen in alle onbescheidenheid te mogen zeggen dat het bij veel mensen indruk maakte. De provincie Overijssel kocht werk aan. Iets wat ze tussen haakjes wel eens vaker hadden mogen doen. Want je krijgt pas echt een goed beeld van de beeldende en mentale ontwikkelingen in het werk, als je kunt volgen hoe Charl zo langzamerhand een oeuvre heeft opgebouwd. Nu is het aardige dat hij de laatste jaren zelf meestal kleine retrospectieven maakt.
Immers binnen een complexe installatie (zo moet ik de presentatie denk ik nu toch noemen) maakt hij gebruik van soms heel oude werken of delen daarvan. De tijd en zijn denken heeft ze een vanzelfsprekende plaats gegeven in zo’n groter, nieuw geheel. Voor Charl zelf is dan volstrekt duidelijk dat het resultaat na zo’n rijpingsproces ineens goed is, hetgeen niet wegneemt dat je als kijker wel degelijk ook aan het werk moet. Ik heb eigenlijk niet vaak werk gezien dat in al zijn onderdelen zo’n mate van sensibiliteit kan vasthouden. Een nietje kan dat uitstralen, een zwarte kopspeld, maar ook een wat armoedig gezaagd stukje hout. Of de manier waarop een vlek is opgebracht. Natuurlijk zit daar een toevalsfactor in, maar Charl weet het toeval wel prachtig op te roepen. Vreemd is dat het werk mij niet direct een idee geeft van een zekere problematiek. Als Charl het lijden van Christus zou verbeelden, ik noem maar wat, dan zou ik dat niet meteen zien. Nu doet hij dat niet gelukkig. Volgens mij gaat het niet om grote, zeg maar wereldse thema’s, maar zoekt Charl in zijn authentieke binnenwereld naar beelden, waarvan hij op een zeker moment aanvoelt: dit is wat ik zocht al wist ik dat van tevoren niet helemaal zeker, nu heb ik het en zo geef ik het vorm. Dat is natuurlijk poëzie en het zal wel zijn dat ik daarom zijn werk altijd zo intens ervaar. Ik houd nu eenmaal van poëzie. Het klinkt hopelijk niet te slijmerig of opgeklopt. Maar ik schrijf een brief en geen essay dus mag ik, lieve Uli, toch wel eens gewoon zeggen dat ik Charl’s werk de ultieme beelden vind van ‘momenten’ van integriteit en sensibiliteit?
Jij schrijft: ‘Die Poesie entsteht zwischen den Momenten, usw’ en eigenlijk klinkt daar in door dat poëzie is wat zich, zeg maar, tussen de taal afspeelt. Als je dat zo kunt zeggen. De formuleringen in poëzie kunnen onwerkelijk zijn. Door het gebruik van de inversie bijvoorbeeld kan een diepere, andere betekenis worden gegeven. Dat doet het beeld dat Charl schept ook. Het zijn in feite ook altijd beeldende neologismen. Hij houdt zich wel eens aan een vorm, van een kader of van een rechthoek, maar daarbinnen is alles open. Volgens mij gebeurde dat met taal bij de dichter Hans Faverey. Hij schreef poëzie waarvan ik vaak dacht: ik snap er geen hol van, maar waarom blijf ik het lezen, waarom blijft het me boeien. Toen er na zijn dood een bundel verscheen, die misschien wel de meest heldere poëzie bevatte uit zijn oeuvre, las ik over zijn naderende dood:

Zonder begeerte, zonder hoop
op beloning, ook niet uit angst voor straf,
de roekeloze, de meedogenloze schoonheid

te fixeren waarin leegte zich meedeelt,
zich uitspreekt in het bestaande.

Laat de god die zich in mij verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.

Natuurlijk bedoel ik wat in dit gedicht staat niet letterlijk te projecteren op Charl’s werk. Maar er spreekt iets dieps, iets strengs, maar tegelijkertijd zachtmoedigs uit. Het is ‘on the edge’, zo moet het gezegd. Lieve Uli, wat zou Charl ervan vinden van dat we zo lekker over zijn werk kleppen? Ik zie hem zo’n beetje gniffelen onder een serieuze blik. En hij denkt ‘die twee heb ik toch mooi aan het werk. Ze denken over mijn werk, ze schrijven er wat over op, en binnenkort moet hij (ik dus) ook nog op de opening iets te berde brengen.’ Ik heb overigens al wel een klein idee. Volgens mij wordt dat daar in Diepenheim straks een indrukwekkende gebeurtenis. Veel liefs,

Arno