Archief

GROEPSTENTOONSTELLING

Jonge Beeldhouwers 2002

Esmeralda van Aarle • Peter Das • Suzanne Dekker • Marc Oosting • Dietmar Schmale • Berenice Staiger • Judy Spruyt • Marieke van Wolven

Het is in de Kunstvereniging Diepenheim een traditie geworden om elk najaar pas afgestudeerde beeldhouwers van de academies van Kampen en Enschede te presenteren. Dit jaar is de selectie verbreed en heeft de tentoonstellingscommissie van de Kunstvereniging ook buiten de beeldhouwafdelingen gezocht naar werk dat zich nadrukkelijk tot de ruimte verhoudt. Aan tien kunstenaars is gevraagd om documentatie op te sturen. Acht van hen zijn geselecteerd voor de tentoonstelling.

In het eindexamenwerk van een kunstenaar manifesteert zich dikwijls al een min of meer vast thema, dat hij of zij zo goed en diepgaand mogelijk tracht uit te werken. Zo’n oeuvre ontwikkelt zich coherent. De toeschouwer kan in de meeste gevallen die ontwikkeling eveneens goed volgen.

Kunstenaars die zich grilliger opstellen, zoeken vaak een relevante uitvoering en discipline bij hun idee. In hun oeuvre kunnen de disciplines waarin dat idee wordt vormgegeven totaal verschillen. Zij zijn wat moeilijker te plaatsen in genres dan wel stromingen. Van beide benaderingen zijn in deze Jonge Beeldhouwers 2002 voorbeelden te vinden.

In tegenstelling tot de sterk overheersende figuratieve tendensen in de schilderkunst op dit moment, is het werk van veel beeldhouwers abstracter. Dat wil zeggen dat het figuratieve nergens de overhand krijgt. Je zou kunnen zeggen dat het veel meer gaat over de sporen die mensen achterlaten, dan dat er menselijke situaties letterlijk worden uitgedrukt. Het lijkt de makers er om te doen te zijn, de mens zijn plaats tussen de dingen de wijzen, juist door die mens niet af te beelden. Die aanwezigheid van de dingen buigt zich als het ware naar hun zwijgen toe. De beelden lijken veelal abstracte notities die, losgemaakt van hun context, wijzen in de richting van iets dat er nog niet is. Alsof dit beeld aan de doelgerichtheid van ons denken en handelen voorafgaat. De zintuigen zijn echter vol verwachting op scherp gesteld en je wacht als het ware op de dingen die komen gaan.

Alle beelden hebben door hun stilstand ook met stilte te maken. In een bundel poëzie Met ingehouden adem van de Zweedse dichter Carl-Erik af Geijerstam (vertaald door J. Bernlef) komt het woord stilte vijftien maal voor. In het gedicht dat ‘De Stilte’ heet, staat aan het eind dit:

Geduldig te zijn als de steen
in afwachting van het mos,
diens traag tastende wortels
die in alle rust
hun houvast zoeken –
te weten dat iets je zoekt
en op je wacht
daarbinnen in de stilte,
dat je tenslotte wellicht
voor een soort ontmoeting zult staan,
voor een tastend begin.

Deze laatste regels vormen natuurlijk ook een prachtige metafoor voor hoe de kunstenaar soms zijn eigen ontwikkeling ervaart. Alsof het werk iets van jou vraagt, terwijl je weet dat het nooit zal spreken. Alsof een vorm jou zoekt, op je wacht, tot je besluit haar toe te passen. En dat het uiteindelijk altijd op een ontmoeting uitdraait. Daar kun je niet omheen. Hoe tastend een begin ook geweest kan zijn.

Het ruimtelijke aspect in de foto’s van Esmeralda van Aarle is zonneklaar. Zij voorzag bomen van een soort rokken en fotografeerde ze. Die ingreep in de natuur heeft niet alleen een sterk vervreemdend effect, maar maakt eveneens een komische indruk. Van Aarle’s ruimtelijke werk van schuimrubber en stof is tegendraads in zijn vorm en uitvoering. Het lijkt er bewust achteloos, en in zekere zin slordig, te liggen. Daardoor kijk je er extra goed naar, omdat je twijfelt of het zo bedoeld is of dat er nog iets lijkt te moeten veranderen.

De presentatie van de twee geprojecteerde werken van Peter Das is eenvoudig. De voorstellingen worden op meer dan ware grootte geprojecteerd en hebben door hun uitsnede en lichtelijke provocatie door de keuze van het vreemde ondergoed, een heel directe kracht. Er is zonder veel poespas frontaal gefotografeerd en deze beelden werken daardoor heel confronterend. Aan het werk zelf ligt niet zozeer een overduidelijke driedimensionale aanpak ten grondslag. Daar heeft de geprojecteerde presentatie eerder mee van doen.

In het werk van Suzanne Dekker speelt onderhuids commentaar op de gangbare omgang met bepaalde dingen in onze samenleving een rol. Zij benadert haar thema’s met een zekere ironie. Zo zijn de reiskoffers van gras natuurlijk een knipoog naar mensen die van alles meeslepen van huis op hun vakantie. Naast een zak aardappelen en potten appelmoes zouden sommigen, als het zou kunnen, hun keurig geknipte gazon ook het liefst meenemen. De moderne computer van suikergoed op het ouderwetse bureau, heeft eveneens die dubbelzinnige kant in zich. Hij is het speelgoed van de huidige tijd, en ons suikergoed in een.

Marc Oosting laat in zijn schilderijen een uiterst heldere werkwijze zien. Het gaat hem puur om het beeld. De kunstenaar is op geen enkele wijze bezig met het schilderen als medium, waarin hij technieken ontdekt of iets van expressie laat zien. Het gaat om de ingreep van die ene open lade en daarmee moet de kijker het doen. Zijn beelden, die veelal op tafels zijn geplaatst, hebben een grotere rijkdom aan vormentaal. Soms zijn ze strak vormgegeven, soms gebeurt er van alles zowel bovenop als onder de tafel. Dan lijkt een beeld nonchalanter en is er een vorm van stof gemaakt, waardoor iets zakachtigs ontstaat. Door dit onder een tafel te hangen is er een dubbele vervreemding, maar beeldend werkt het sterk.

Dietmar Schmale is een kunstenaar die conceptmatig te werk gaat. Zijn werk gaat niet over uiterlijke gevoeligheden of sensibiliteit. Hij maakte voor een serie boeken voor elk boek een eigen, precies op maat gemaakt boekenkastje. Op een rij aan de wand gehangen ontstaat een fraai en vindingrijk beeld. De serie koffers, waaraan hij al langere tijd werkt, zijn bizar/ Er zitten attributen in die er gruwelijk uitzien. Messen, gereedschappen in het algemeen, waar je mee kunt slachten, moorden en wat al niet. Hierdoor zijn het sterk suggestieve werken.

Berenice Staiger toonde in haar eindexamen enkele installaties waarin zij soms al eerder gemaakte onderdelen gebruikte, zoals een serie afgegoten konijnen of een soort huisje. Maar vaker reageert zij op een bepaalde plek en zoekt daarvoor een beeldende totaalingreep. Haar werk bevindt zich veelal niet zomaar op de vloer, maar speelt zich ook af op wanden en aan het plafond. Haar tekeningen laten een uitermate sensibele wijze van werken zien en daarin figureert de menselijke gestalt frequent. In collagevorm kan ze met heel weinig fraai een ruimte definiëren.

Judy Spruyt is een echte tekenaar, maar niet op een beperkte manier van een beeld op een vel papier. Het gaat om veel meer. De getekende werken vormen, zo lijkt het wel vaak, de leidraad tot een werk, maar door een andere wijze van presenteren in de ruimte en toevoegingen van andere materialen, wekt ze uiteindelijk een heel andere indruk met haar werk dan een ‘eenvoudige’ tekening op papier. De installaties beslaan altijd een deel van de ruimte. Wanden worden ingenieus met elkaar verbonden door draden te spannen. Als het nodig is, wordt er ook met ander materiaal dan papier en draad gewerkt. De installaties zijn zeer uitgesproken en sterk sensibel.

Bij de presentatie van Marieke van Wolven vraag je je in eerste instantie af of alles met elkaar te maken heeft. In de kleine tekeningen is het onderzoek naar vorm opvallend. In een grote tekening, direct op de muur, laat ze zien dat de kleine werken ook een onderzoek naar vorm betreffen. Zelfs het beeld met de koffer dat, op het examen, in de buurt van de tekening op de vloer stond, leek in eerste instantie deel uit te maken van de wandtekening. Haar werk toont krachtige vormen en dito materialen. Manifest en min of meer werkend met de traditionele gegevens van de beeldhouwkunst.

Met de keuze van de werken van deze kunstenaars heeft de tentoonstellingscommissie van de Kunstvereniging zich weer uitgesproken voor diversiteit. Met enige overdrijving kan worden gesteld dat deze jonge kunstenaars ook weer proberen de hedendaagse beeldhouwkunst voor zichzelf te definiëren.

Arno Kramer
oktober 2002
Arno Kramer is lid van de tentoonstellingscommissie van de Kunstvereniging Diepenheim en docent aan de AKI te Enschede

Junior Beeldende Kunst Prijs
De Kunstvereniging Diepenheim heeft enige tijd geleden de provincie Overijssel het voorstel gedaan om nieuwe prijzen voor beeldende kunst in het leven te roepen. De gedachten gingen daarbij uit naar een zogenaamde Senior Beeldende Kunst Prijs, toe te kennen aan een alom gewaardeerde kunstenaar woonachtig dan wel werkend in Overijssel, en een Junior Beeldende Kunst Prijs, bedoeld voor een sterk gepresenteerd eindexamen aan de academie van Enschede of Kampen.
De Provincie Overijssel heeft zich zeer onlangs al positief uitgesproken voor de Junior-prijs en in overleg is besloten om die prijs toe te kennen aan een van de deelnemers van Jonge Beeldhouwers 2002. Omdat het presenteren van ruimtelijk werk tot de doelstellingen van de Kunstvereniging behoort, leek het een goede gedachte om de eerste toekenning aan een beeldhouwer te doen. De Kunstvereniging Diepenheim ziet deze eerste uitreiking ook als een zinvol experiment en heeft de tentoonstellingscommissie van de Kunstvereniging gevraagd ditmaal als jury te willen fungeren.
Op zondag 17 november zal bekend worden gemaakt wie de Junior Beeldende Kunst Prijs 2002 van € 2500,- zal ontvangen.