Archief

KARIN
VAN
DAM

Plakken land

Karin van Dam is een nomade. Telkens bouwt zij haar werk op een andere plek. Haar installaties roepen een sterke associatie op met de stad, het stedelijk landschap. Het is echter nooit een terrein waar je bekend bent of zelfs maar een beetje de weg weet. De bezoeker in de werken van Karin van Dam zal blijven dwalen in een doolhof van vormen en structuren. Geen van haar werken is hetzelfde omdat zij steeds opnieuw worden bepaald door de ruimte zij zich bevinden. Na verloop van tijd neemt van Van Dam haar bouwmaterialen op om er elders een nieuwe stad mee te bouwen. Het volgende stadslandschap van Karin van Dam zal in de Kunstvereniging Diepenheim verrijzen.

Ideeën worden gevormd en weer verworpen. Karin van Dam maakt plannen en zoekt haar materialen uit. Voor Plakken land maakte zij tekeningen in potlood, fluweelzwart houtskool, inkt en aquarel. De plek waar het werk moet komen is het uitgangspunt. De wanden bakenen de ruimte af en vormen de achtergrond waartegen zij haar lijnen uitzet. In de voorbereidingsfase keert zij vaak terug naar de locatie, waarbij steeds weer blijkt dat de ruimte zich toch weer anders in haar geheugen heeft vastgezet dan zij in werkelijkheid is. Uiteindelijk beginnen de bouwwerkzaamheden. Allereerst spant Van Dam een netwerk van kabels tussen de wanden. Dit vormt het raster waar zij later haar materialen en vormen aan zal bevestigen. Daarna begint het ruimtelijk componeren. De schetsen, die eerst alleen op papier werden gemaakt, worden als het ware overgezet naar de ruimte. Geleidelijk krijgt haar driedimensionale tekening vorm. Haar werkwijze laat zich vergelijken met het maken van een tekening, eigenlijk de meest spontane en vrije manier om kunst te maken. De kunstenares eist de vrijheid om het werk te blijven veranderen, om vormen als het ware uit te gummen en weer opnieuw te plaatsen. Een meter naar rechts, een klein stukje naar boven. Zo geeft zij vorm aan haar stedelijk landschap. Pas als alles ‘klopt’ worden er bezoekers toegelaten en mogen zij ronddwalen in de fantasiewereld van Karin van Dam.

In de middeleeuwen was de stad een relatief kleine, ommuurde plek waarvan de bevolking dicht op elkaar leefde in een waar doolhof van nauwe straten en stegen, maar waar zij veilig was voor gevaar van buiten. Karin van Dam kwam dergelijke stadjes tegen op haar reizen door onder meer Toscane en het noorden van India. Een andere belangrijke bron voor haar werk zijn de mythische steden

in het boek Onzichtbare steden van Italo Calvino. Ze raakte gefascineerd en de eerste ‘stadjes’ doken op in haar werk. Eerst in diep zwarte tekeningen en collages, later in de vorm van kleine, vrij in de ruimte hangende, ook weer zwarte werkjes, als mobiles. Het fluweelzwart verkreeg ze door papier met zwart krijt in te wrijven. Net als bij echt middeleeuwse steden kon je deze van een afstand bekijken en erover fantaseren hoe het er achter de muren uit zou zien.

Een jaar lang woonde Van Dam in Parijs. Net als iedereen die voor het eerst naar een nieuwe, onbekende stad verhuist moest zij zich haar nieuwe omgeving eigen maken; op zoek naar de bakker en de supermarkt. Iemand die in een andere stad gaat wonen, verkent de stad op een andere manier dan een toerist die er niet langer dan een paar dagen verblijft. Het viel Van Dam op dat een stad als Parijs uit meerdere lagen bestaat. Behalve de metro bevindt zich ondergronds een heel netwerk van leidingen en buizen die zorgen voor riolering, water en elektriciteit. Pas als er iets mis is en de werklieden hun putten graven komt dit netwerk aan de oppervlakte. De drainagepijpen die zij daar zag gebruikt zij nu in Plakken land. Zwarte en gele buizen stromen als een waterval door het werk. Vormen, gesneden uit rubber hangen als lappen in de ruimte, op sommige plekken verweven met zwart fijnmazig tuhle en bouwplaatsbeveiligingsnet. Daartussen bevinden zich fenders, stootkussens die normaliter gebruikt worden in de scheepvaart. Een lange vlonder kronkelt als een wandelpad door het werk.

Tegenwoordig is er geen duidelijke scheidslijn meer tussen de stad en het omliggende land. De stad breidt zich uit als een inktvlek en de scheiding tussen stad en platteland wordt steeds vager. In deze ‘rafelranden’ van de stad wonen nauwelijks mensen, het zijn industrieterreinen met grote loodsen waar het ’s avonds uitgestorven is. Ook de installaties van Karin van Dam komen meer en meer de ruimte in. Was aanvankelijk nog sprake van een meer coulisse-achtige opbouw, de laatste tijd gaan haar werken steeds meer uit van de gehele ruimte. De bezoeker kan tot in het hele werk doordringen en het ervaren. Zwart overheerst in het werk van Karin van Dam, met soms alleen wat accenten in rood of geel. Zwart is introvert, het zuigt, het trekt de beschouwer als het ware de installatie binnen. Deze zuigkracht is in tegenstelling met het werk zelf dat juist het extravert is en expansief.

Tine Zevenhuizen