Archief

PIET
TUYTEL

Solotentoonstelling

De beelden van Piet Tuytel doen geen enkele poging om te koketteren, ze hebben niets gewilds of geacheveerds. Ze zijn even ongepolijst als ontwapenend in hun eenvoud en directheid, en beschikken over een groot vermogen om zowel vanzelfsprekendheid en vertrouwdheid op te roepen als verwarring en vreemdheid.
Een zekere mate van vertrouwdheid komt tot stand doordat Tuytel dikwijls gebruik maakt van alledaagse voorwerpen of eenvoudige, herkenbare, industrieel geproduceerde materialen. Vervolgens echter komt een proces op gang waarin hij het moment tracht te fixeren waarop dit ‘basismateriaal’ tot kunstwerk wordt.
Om het eenvoudig te stellen: wat moet er gebeuren om van een alledaags voorwerp als een stoel – een regelmatige verschijning in het werk van Tuytel – een kunstwerk te maken? Met andere woorden, waar ligt het moment dat de stoel nog herkenbaar is als stoel, maar er tevens sprake is van een kunstwerk?
Natuurlijk verandert die stoel van gedaante, hij wordt ontmanteld of juist opgetuigd met andere, dikwijls even alledaagse objecten: een wastafel, een wasmand, glasplaten, foto’s, of aangevuld met een soort ‘schijnstoel’, een buisframe dat op een stoel lijkt maar dat niet is.
Al deze ingrepen en toevoegingen worden niet gedaan omwille van henzelf of bij wijze van decoratie, maar hebben tot doel, de attributen van onze alledaagse ‘woonwereld’, rnaar ook de gebruikte industriële, ‘nuttige’ materialen, te ontdoen van hun vertrouwde dan wel bedoelde functie. Als logisch gevolg daarvan gaan deze objecten zich als vorm of als materiaal manifesteren. De herinnering aan de vroegere functie blijft echter bestaan, waardoor een bewuste tegenstelling wordt gecreëerd. In deze tegenstelling, gesitueerd op het scherp van de snede, ligt voor Tuytel het moment van het kunstwerk, ligt ook het moment waarin vertrouwdheid en vreemdheid elkaar in evenwicht houden.

Daaraan vooraf gaat een proces van deconstructie van de vertrouwde functie van een object en van daarmee verbonden kijk- en verwachtingspatronen.
Piet Tuytels pogingen om deze conventies te doorbreken hebben geen didactische bedoelingen. Hij is er niet op uit om ons ‘de dingen anders te laten zien’. Tuytel bedient zich niet van metaforen of van vertellingen. Het gaat er uitsluitend om dat een object, dat ooit in een bepaalde context een vanzelfsprekende aanwezigheid had, zijn plaats krijgt in een voor hem nieuwe vanzelfsprekendheid: die van het kunstwerk. Zijn non-conformisme is daarvoor niet meer of minder dan een voorwaarde.

In een reeks recente werken maakt Tuytel gebruik van cijfers, meestal met eigen hand getekend op zelfklevend materiaal en vervolgens uitgesneden. Soms zijn ze gespiegeld, waardoor wederom een voor Tuytel kenmerkende tegenstelling ontstaat tussen vertrouwdheid en vreemdheid. De cijfers worden geplakt op panelen van verschillende materialen en op glasplaten, die dikwijls met meerdere tegelijk tegen de muur worden gestapeld. In Almere zijn enkele van deze werken te zien. De getallen worden toegepast zonder verband. Ze onttrekken zich bewust aan de logische reeksen die cijfers in het algemeen plegen te vormen. Er zijn nogal wat priemgetallen bij, ‘eerstgetallen’, die pas door zichzelf (dus niet door een lager getal) en door 1 te delen zijn. Zo’n drieëntwintig eeuwen geleden bewees Euklides dat er oneindig veel priemgetallen zijn. In tegenstelling tot ‘logische’ getallenreeksen, is er nog geen patroon ontdekt in het voorkomen van deze getallen, of een effectieve formule die ze voortbrengt. Priemgetallen zijn de non-conformisten van de wiskunde, ze onttrekken zich aan de algeheel heersende orde, waarin alles zijn vaste en voorspelbare plaats heeft. Binnen Tuytels werk nemen ze de positie in van een pars pro toto.

Tuytels deconstructie van patronen en conventies houdt een provocatie in aan het adres van de toeschouwer, die, min of meer in onzekerheid gebracht, sterk op zichzelf wordt teruggeworpen. Evenmin als het werk de neiging heeft, zich te nestelen in de verwachting van de beschouwer, krijgt deze laatste veel gelegenheid zich in het werk te nestelen. Ook in zijn direct waarneembare, uiterlijke verschijningsvorm geeft het werk weinig houvast. In het algemeen mist het een middelpunt of een coherente structuur die de blik richting geeft. Bovendien lijkt het de schijn te willen wekken van tijdelijkheid en veranderlijkheid. De stapelingen van glasplaten en panelen tegen de muur lijken daar maar ‘even’ te staan, voor een moment uit de hand gezet voordat ze in een raam gezet zullen worden of een ander nuttig doel zullen dienen. In geval van een overigens steeds welbepaalde opstelling van meerdere objecten in een ruimte, is het toch heel wel voorstelbaar dat deze van positie zouden kunnen wisselen, elkaars plaats zouden innemen. Daar komt nog eens bij dat de objecten op zichzelf gemakkelijk gedemonteerd en veranderd lijken te kunnen worden. Het statische van het object wordt onder druk gezet door deze gewekte indruk van demonteerbaarheid. Deze precaire verhouding tussen het object met zijn welgekozen vorm, materiaal en positie enerzijds en de suggestie van flexibiliteit en veranderlijkheid anderzijds verleent het werk een identiteit die zich moeilijk laat definiëren.