Archief

MERIJN
BOLINK

Solotentoonstelling

Midden in Den Haag laad ik mijn rinocerosbeeld uit de auto om het een expositieruimte binnen te brengen. Precies op dat moment komt er een rinoceros voorbij draven, in de hoedanigheid van een dun laagje zeefdrukinkt op de hoes van een reservewiel van een Jeep. Na afloop van de tentoonstelling krijg ik van mensen om mij heen een aantal rinocerossen, in de vorm van bijvoorbeeld zeepjes, een ansichtkaart of een reproduktie van een ets van Dürer – die de neushoorn zo te zien van horen zeggen had want hij ziet eruit als een monster met een gedraaide hoorn en wratten.

Terwijl in de verte wilde jazzakkoorden klinken van de pianist die ik het meest beluister, blader ik gedachtenloos het boekje door dat bij mijn vorige tentoonstelling uitkwam, en ontdek een nieuw verband tussen twee oude beelden. De hand die gemaakt is van een opgezette kaaiman zou mooi staan bij het beeld van de dubbele piano; door de houding lijkt het alsof de hand een akkoord aanslaat. Vroeger moest ik dit van mijn pianoleraar oefenen: mijn hand om mijn knie vouwen, hem er voorzichtig afhalen en daarna op het klavier zetten om zo de ideale houding aan te nemen. Overigens lijkt het ook een hand die een marionet bedient, maar ik hou niet zo vreselijk van marionetten, dus die associatie vergeet ik maar weer. Het beeld is allang niet nieuw meer, maar elke dag kan er nog iets veranderen aan zijn betekenis.

In maart van dit jaar heb ik in Maastricht een beeld gemaakt, door ergens in een zolderkamer van het station een gat in de vloer te zegen in de vorm van een hart; van het hout dat ik overhield heb ik een groot mensenhart gemaakt, gedeeltelijk bekleed met de bovenste laag van de planken en gedeeltelijk met de onderste laag. Het werk is opgedragen aan een kind dat ik de kracht van zo’n groot hart toewens.

Iemand vertelde me dat ze gedroomd had dat het station een levend organisme was geworden en dat het hele gebouw bonkte als een hart en dat je het van buiten kon zien bewegen.

Iemand anders schreef erover dat de dwarsbalken waar de vloer op ligt en die door het gat gedeeltelijk zichtbaar waren geworden, doen denken aan spoorrails. Dit had ik zelf nog niet eens gezien.

Op de tentoonstelling liep er ook nog een medicijnstudent rond die eigenlijk niet zo van kunst hield, maar het hart vond hij dan toch wel mooi, zei hij, omdat het helemaal klopte. Ik wilde ook dat het hart zou kloppen, in anatomische zin; ik heb altijd een beetje vrees voor de kenner die in één oogopslag ziet dat er niets van klopt. De kenner die meteen ziet dat ik een amateur ben. Terwijl ik dit schrijf staat het werk opgeslagen in mijn atelier. Het hart ligt binnen, de vloer staat op de gang tegen de muur.

Dit zijn voorbeelden van voorvallen, gedachten en associaties die bij bepaalde beelden horen. Ik vraag me nu af wat daarvan bij de inhoud hoort, wat de inhoud eigenlijk is. Is het alleen de betekenis die ik aan het beeld gegeven heb terwijl ik het aan het maken was? Is het dat wat het beeld in het algemeen oproept, of is het de optelsom van alles wat er bij een beeld gedacht, gezegd en geschreven wordt en van alles wat ermee gebeurt?

Ik geloof wel in die optelsom-variant. Als maker van het beeld heb ik waarschijnlijk de grootste verzameling gegevens erover. Als ik bijvoorbeeld een beschrijving zou geven van het beeld met de tijger, dan zou ik ook de ervaringen van enkele dieren die het beeld gezien hebben opnemen, alle gesprekken die ik erover gevoerd heb toen mijn moeder en mijn schoonzusje me erbij hielpen, de blik van de polyester-handelaar als ik voor de zoveelste keer een blik polyester kwam kopen, de enthousiaste reactie van mijn schoonvader die het mijn beste beeld vond, de tijgerthee die ik dronk om te vieren dat het beeld klaar was, het neptijgervel waar de computer op staat, de tijgerbalsem, een aantijging… .Het wordt alleen een beetje veel misschien.

Merijn Bolink