Archief

JOKE
ROBAARD

Solotentoonstelling

| Over twee sterfgevallen en drie geboorten.
| Mijn film wordt een eerst keer in mijn hoofd
| geboren, sterft op papier; wordt weer uit de
| dood opgewekt door de levende personen en
| de werkelijke voorwerpen die gebruik, die
| gedood worden op het filmmateriaal, maar die
| in een bepaalde volgorde gezet en op het scherm
| geprojecteerd weer tot leven komen, zoals
| bloemen in het water
|
| De deux morts et de trois naissances.
| Mon film naît une première fois dans ma tète,
| meurt sur papier: est ressuscité par les
| personnes vivantes et les objects réels que
| j’emploie, qui sont tués sur pellicule mais
| qui, placés dans un certain ordre et projetés
| sur un écran, se raniment comme des fleurs
| dans l’eau.
|
| Robert Bresson: Notes sur le cinématographe
| Gallimard 1975

Tijdens een weekend in februari, dat ongeveer samenvalt met het moment dat deze tekst wordt geschreven, is de Kunstvereniging bevolkt met een opmerkelijke collectie objecten en personen. De objecten zijn er het eerst. Ze maken deel uit van een verzameling, die ‘Signs and Affections’ heet en zijn tijdelijk overgebracht uit het atelier van Joke Robaard. Ze refereren vóór alles aan kledingstukken, zij het van een onbepaalde, niet geheel te definiëren soort. Stoffen vormen als broekspijpen, als hoezen en andere omhulsels, laarzen die overgaan in een naar boven toe steeds verder uitdijende broekspijp. Half het één, half het ander. Wijde, ‘oversized’ vormen, die afhangen van het plafond. Op de grond of over de rugleuning van een stoel gelegd lijken ze plat en vormeloos. Als ze hangen krijgen ze volume, ‘body’, en ontstaat de associatie met vormen die iets of iemand zouden kunnen omhullen. Strikt formeel bekeken lijken ze zich ergens in een stadium te bevinden tussen knippatroon en voltooid produkt, als een model wellicht of als een kledingstuk dat net in elkaar is gezet en waarvan de naden nog bol staan. Maar ze laten zich in hun aard en identiteit bewust niet definiëren, hun belangrijkste eigenschap is dat ze ergens ‘halfweg’ zijn, dat ze kunnen verkeren van het een in het ander. Soms maken ze dat proces ook letterlijk door. Een broek, waarvan de pijpen worden uitgespreid, neemt de vorm aan van een kano, in het midden omlijst het boord een rond gat waarin de kanovaarder plaats zou kunnen nemen.

In dit gat is de binnenkant van de broekzakken zichtbaar. In de volgende versies groeien de zakken uit tot een stoffen lichaam met armen, als het omhulsel van de kanovaarder, dat uit de ‘buik’ van de kano steekt.

Deze reeks werken ontstond tijdens een verblijf in ateliercomplex PS1 in New York, waar ze onder andere het uitgangspunt vormden voor een serie affiches en folders, te zien in een tentoonstelling in The Clock Tower (1995). Een van de afbeeldingen werd gebruikt als beeldmerk voor de Green Guerilla’s, een groep vrijwilligers die 600 tuinen beheert in Manhattan en de Bronx.

In tegenstelling tot de traditionele christelijke, westerse opvatting lijken de objecten de – overigens veel oudere – overtuiging te vertegenwoordigen dat de ‘geest’, de ‘ziel’, niet iets onstoffelijks is, maar letterlijk ‘huist’ in de materie, als een voetstap op het gras, als een afdruk die is achtergebleven in de stof en de materie ‘bezielt’. ‘Animeren’ noemt Joke Robaard dit proces, daarmee terugkerend naar de oorsprong van dit begrip.

Dit animeren gebeurt door de personen, die zich tijdens het bewuste weekend verzamelen in de Kunstvereniging. Door de handelingen die zij verrichten, geven ze letterlijk en figuurlijk invulling aan de objecten. De personen zijn kinderen en leden van de plaatselijke rijvereniging. Deze laatsten, gewend aan het aan- en uittrekken, het op- en weer aftuigen van objecten, nemen hun eigen attributen mee èn een van hun paarden, dat zich als een ‘Fremdkörper’, een klassieke indringer, onvermijdelijk herinnerend aan zijn prototypische voorganger uit de Trojaanse oorlog, in de scène voegt.

Het proces is vastgelegd en is in de tentoonstelling te zien in één grote groepsfoto: de personen, de objecten, het paard.
De objecten keren terug in de tentoonstelling. In eerste instantie stil en dood. De foto echter geeft de bezoeker inzicht in het ‘leven vooraf’, in de wonderlijke gebeurtenis die zich met en rond de objecten heeft voltrokken. De wetenschap dat Joke Robaard de Kunstvereniging tijdens de tentoonstellingsduur ook als werkruimte wil opvatten en een proces van ‘animeren’, zoals in februari plaatsgevonden, wil herhalen met andere personen, versterken het vermoeden dat de objecten opnieuw tot leven kunnen komen.
In dit besef zijn de objecten niet achtergebleven als ‘props’, als levenloze rekwisieten, die hun functie hebben vervuld, maar zijn ze als ‘stills’, als even stilgezette scènes in een film, die ieder moment opnieuw geboren kan worden.

Lisette Pelsers