Archief

KRIJN
DE
KONING

Solotentoonstelling

Krijn de Koning maakt installaties die aan bepaalde ruimtes gebonden zijn en dus om praktische redenen een tijdelijk karakter hebben. Hem resteren alleen de foto, de herinnering en het nieuwe voornemen. Een aparte werkruimte heeft hij niet, hij werkt met de ruimte zelf. De Koning werkt met de componenten die alle architectonische binnenruimtes gemeen hebben: vloer en wand, deur en raam. Deze gegevens manipuleert hij zodanig dat een ruimte van een nieuwe orde ontstaat. De min of meer toevallige architectuur van de locaties waarmee hij werkt, meestal informele expositieruimtes, geeft de kunstenaar aanleiding tot een beeldende actie met vorm en kleur, die bepaald wordt in een intuïtieve reflectie op het karakter van de ruimte enerzijds en de visuele en lijfelijke gewaarwordingen van de beschouwer anderzijds.

De eerste installaties van Krijn de Koning bestaan uit bouwsels van gevonden materiaal, die vooral bedoeld lijken om de ruimte te veroveren. Zelf zegt hij dat deze werken vooral vanuit zijn tekeningen zijn ontstaan en dat de ruimte hier als een tekening wordt opgevat.

In de latere werken manipuleert hij de leesbaarheid van de ruimte door grote volumes erin aan te brengen en nauwe doorgangen en complexe hoekoplossingen te creëren. Nooit is het de bedoeling dat de beschouwer door zijn aanwezigheid een theatraal onderdeel van het beeld wordt. Alleen zijn ogen hebben rechtstreeks toegang tot het werk, het lichaam wordt langs paadjes en hoeken geleid om steeds andere aspecten te zien. Waar de beschouwer ook positie kiest, het beeld blijft hem altijd frontaal en onontkoombaar toegewend. De Koning stuurt er dwingend op aan de beschouwer met schoonheid, harmonie en rust te confronteren. In zijn werk staat consequent het artistieke onderzoek voorop, dat zich stap voor stap in een daadwerkelijke omgang met de ruimte voltrekt.

Over de installatie in de Kunstvereniging Diepenheim:
‘De gegeven situatie van een tentoonstelling is voor mij altijd het uitgangspunt om een werk te maken. Het is voor mij de mogelijkheid om op een directe manier met kunst te communiceren. Daarbij is de gegeven ruimte, die zich bovenal laat kennen door haar architectuur, de drager van alle condities die mogelijkerwijze van invloed zijn op de beleving van een werk.

Deze gegeven ruimte wordt uitgangspunt voor de vorm, kleur en richting die ik aan een beeld geef. De vormen die ik hanteer appelleren aan die van een simpele architectuur (vloeren, muren, doorgangen). De beelden veranderen vaak de ruimte daar waar ik denk dat het interessant is en/of naar mijn mening een verbetering inhoudt.

In Diepenheim maak ik een beeld voor de specifieke ruimte van de Kunstvereniging. Een van de karakteristieken van die ruimte is dat zich op een relatief kleine oppervlakte de faciliteiten van een stedelijke kunsthal bevinden: hal, entree, grote zaal, kleine zaal, balkon, podium, keuken, café, terras, tuin, filmzaal. Deze opeenhoping van functies brengt onvermijdelijk versnippering en enige onrust met zich mee. Dit werkt door op de geëxposeerde werken, hoe mooi ze ook zijn. Door een beeld te maken dat actief gebruikmaakt van alle expositieruimtes (grote ruimte, kleine ruimte, podium en balkon) wordt de ruimte weer één en ontstaat er een duidelijkheid die enige rust geeft. Bij het beeld hoort een opstap welke er voor zorgt dat men vanuit de kleine ruimte naar het podium toe kan en zo om het werk heen kan lopen.’

(Bron o.m. Juryrapport Touche-prijs 1993)