Archief

JOSEPH
SEMAH

An introduction to the principle of relative expression

Joseph Semah werkt en denkt als beeldend kunstenaar vanuit zijn oorsprong, vanuit zijn positie als nazaat van het volk van de Babylonische Joden. Deze Joden leefden sinds circa 600 voor Christus in ballingschap in Babylon (het huidige Irak). Afgesneden van het moederland was niet de Tempel, maar de Schrift het centrum van het leven en het denken, de Schrift die steeds opnieuw gelezen, bestudeerd en becommentarieerd werd, een levende tekst als een voedende en telkens gevoede bron. In 1950 moesten de Babylonische Joden, als in een tweede ballingschap, Irak verlaten en vestigden zich in Israël. Joseph Semah groeide daar op.

Semah hervindt zijn wortels in de inhoud en de visuele verschijningsvorm van de Talmoed, waarin de tekst van Mozes aangevuld is met de commentaren die er gedurende eeuwen op geleverd zijn. Deze commentaren zijn zeer divers en soms zelfs tegenstrijdig. De Talmoed herbergt hierdoor een groot aantal verschillende opinies, typografisch vormgegeven door de commentaren als zelfstandige teksten rond de basistekst te plaatsen. In dit voortdurende proces van herformulering, deze voortdurende verschuiving van het denken, die door de specifieke typografie ook letterlijk zichtbaar is gemaakt, is Joseph Semah’s werk verankerd.
Semah gaat niet alleen een reconstructie – en een herformulering – aan van zijn eigen geschiedenis, maar tracht tevens zijn positie te bepalen als ‘vrijwillige balling’ in de westerse cultuur, waar hij sinds zo’n tien jaar leeft en waarin zich zijn kunstenaarschap ontwikkeld heeft. In bredere zin is sprake van een poging om de westerse cultuur van het beeld te versmelten met de niet-westerse cultuur van het woord, de gefragmenteerde cultuur van het eigen verleden met de nieuw verworven cultuur van het heden.
Vanuit deze condities analyseert, herformuleert en becommentarieert Joseph Semah gegeven situaties en plekken en situeert er zijn eigen interpretaties en betekenissen. Daarmee gaat hij telkens opnieuw het gesprek, de discussie aan met zijn publiek, in beelden, maar evenzeer in geschreven teksten. Het project van Joseph Semah in Diepenheim, gesitueerd op de Israëlitische begraafplaats in de gemeente en in de Kunstvereniging Diepenheim, is een fase in dit gesprek.

Op een afstand van 1 kilometer van de Kunstvereniging ligt, aan de Regge, een kleine Joodse begraafplaats. De graven worden slechts gemarkeerd door 18 scheefgezakte stenen zerken. In deze openbare ruimte treffen we architectuur,

kunst en taal (beeld en woord) aan in zeer oorspronkelijke zin: in de vorm van respectievelijk de gemarkeerde plaats zelf, de grafstenen en de grafschriften. De begraafplaats is niet meer in gebruik en bestaat alleen nog als monument. Alleen de stenen spreken nog door middel van de grafschriften. Alleen in de taal hebben de doden nog een plaats. Joseph Semah heeft hier tien ceders geplant, in een lijn die de rechthoekige plattegrond van de begraafplaats diagonaal doorsnijdt. Hierdoor onderscheiden de ceders zich duidelijk van de overige begroeiing op de begraafplaats. Het aantal van tien kan opgevat worden als een verwijzing naar de ‘minjan’, het aantal van tien dat het minimum is voor de godsdienstbeoefening. Maar vooral is het planten van de bomen een daad van respect ten opzichte van de vergeten doden, een daad die deze verlaten, naamloze plaats opnieuw benoemt.

An introduction to the principle of relative expression

Het tentoonstellingsgebouw van de Kunstvereniging maakt deel uit van de ‘museale sfeer’. De geschiedenis van de museale sfeer is nauw verbonden met de westerse geschiedenis en wordt geplaatst in het kader van de (onuitgesproken) traditionele relatie van de cultuur van het beeld (de wereld van de kunst) met de cultuur van het christendom. In het gebouw, dat voortkomt uit deze traditie, wordt een confrontatie aangegaan met de cultuur van het Jodendom. De ruimte wordt doorsneden door een ‘vloer’ van koperen platen. De vloer kan gelezen worden als een plattegrond van een synagoge, dat wil zeggen van één van de in de Tweede Wereldoorlog vernietigde synagoges in Europa. Bij dit vloerplan wordt een ‘bimah’ geplaatst, het omhulsel voor de rollen van de wet, in de vorm van een 3 meter hoge ‘zuil’ van koper.

Rondom een boom in de tuin van de Kunstvereniging wordt spiraalsgewijs een reeks van in elkaar grijpende bronzen ramshoorns aangebracht. De ramshoorn werd gebruikt in de Joodse eredienst, voor het bijeenroepen van vergaderingen en ter waarschuwing in geval van naderende vijanden.
Ondanks het gebruik van symbolen als deze, moet Joseph Semah beslist niet gezien worden als een ‘Joods kunstenaar’. Zijn toepassing van de Joodse symboliek onttrekt zich aan de orthodoxie en aan elke vaststaande interpretatie. De volledige vrijheid waarmee Joseph Semah zijn symbolen hanteert, leidt juist tot een voortdurende stroom van nieuwe relaties, nieuwe betekenissen en interpretaties. Ofwel, tot nieuw gedachtengoed.